Ik loop nog in het gindse, het anderszins
Van weggelopen dagen
In een zoekend verlangend vragen
En een bangend klagende gloed van zonden
Bloedend aan mijn ziel die wondde
Voorbij achten, de dag gaat heen
Zinkt langzaam onder een dak van wolken
Die het gegane azuur bevolken en de kleur van dagen molken
Niemand weet waar ze wieken
En portieken slapen onder een onrustig dek
Het alleene tors ik langs vele stralen licht
Door lantaarnpalen geschraagd, spiegelend in mijn gezicht
Wiegend op akkoorden, flitsend voor de ogen
Tot de tijd mij bedekt neurie ik zachtjes toonladders woorden
Sommige blikken kijken vol mededogen, anderen onbewogen
Half gelogen door het hart verkild
In de stad van miljoenen voel ik me ongewild
Herinneringen zijn uitgesmeerd, verteerd
De dag is kil en onthecht en mijn schaduw zet zich vast
Aan lege magen en flarden van dagen
Waar bloed verschijnt op wrang bijtende lippen
Op klippen van trots
Met stug gebogen rug gebroken gelopen op rots
Met verwijtende woorden gesproken
Een gebroken wenen op de baren gevaren
In eenzaamheid gedragen zocht ik mijn schaduw
Die zich verlijmde aan flarden van het grage
Toen ik mezelf nog kende en herkende
Voordat vergetelheid mij stal
Mijn verval kleedde en het vergeten smeedde
Niemand kent mijn naam nog
En het eten van dagen heeft mijn naam verteerd
Ik heb geleerd mijn dag kent vele nachten
En in deze oceaan van mensen
Wil ik niet als gewonde worden gevonden
Ze herkennen mij niet, niet mijn ogen
In het ovaal van mijn gelaat gebogen
Om een verlangen in mij geboren te zien
Als een silhouet die muren van de straten wil behangen
Om mezelf te bekoren
Ik laat me dragen op de armen van de wind
Als een vogel die nergens kan huizen en moet verhuizen
Om zich te nestelen onder donkere wolken
Waar nog net wat licht doorheen valt
Maar nog meer de val van godenbloed
Die ik met open mond ontmoet
Voordat ze aarde groet
En ik goed ontmoet aan een land van grijze kleuren
Die mijn wereld doet besmeuren
Het is de regen en de geur van kleur
En ik …
Neurie zachtjes toonladders woorden
Wacht tot de tijd mij bedekt zonder mededogen
En ik mijn vriend ontmoet met geloken ogen.

 

Ad Nouwens – Schrijversatelier Tilburg-Noord

 

Joseph Hollander (Tilburg 1915 – Tilburg 1993) werd geboren als zoon van het joodse echtpaar Anna Verbuecken en Abraham Hollander. Er wordt beweerd dat het hele gezin, op Joseph na, in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers is vermoord. Joseph zou, voorafgaand aan zijn eigen transport, op het treinperron zoveel misbaar hebben gemaakt, dat de Duitsers hem lieten gaan. Waarschijnlijk hield hij aan deze gruwelijke oorlogsherinneringen een trauma over. Sindsdien zwierf hij zwijgend en gehuld in een lange leren jas jarenlang door Tilburg, wat hem de bijnaam Zot Joke opleverde. (Bron: Reg. Archief Tilburg)

Laat meer gerelateerde artikelen zien
Laat meer zien van Het Schrijversatelier

Bekijk ook

Hart van Brabant Nieuws – 21 november 2019

Het Hart van Brabant Nieuws van 21 november 2019: – Werkzoekenden maken kennis met w…